Vanaf mijn
tienertijd al was het mijn grootste wens om met mijn
handen te werken.
Als kostwinster had ik een baan als secretaresse op
kantoor, maar mijn hart was elders.
Dit verlangen kreeg vorm toen ik in 1956 Jan de Rooden
leerde kennen.
Hij werkte met klei in de kleine maar bekende
pottenbakkerij van Lucie Q. Bakker in Amsterdam,
waar ambachtelijk serviesgoed werd geproduceerd.
Al spoedig begonnen we onze
eigen potten te maken in de piepkleine, raamloze
souterrainkamer
in het huis van mijn moeder.
Met Jan's hulp ontdekte ik de geheimen van klei, leerde
draaien en boetseren.
Ik was onder de indruk van de talloze mogelijkheden die
ik zag in de potten die ik draaide of kneedde.
Een eindeloze wereld lag klaar om ontdekt te worden.
Samen zochten en bezochten we hier en in het buitenland
musea met keramiek in hun verzameling,
keramiek uit alle tijden, overal vandaan. Dat werd onze
leerschool.
Het fascineerde ons, dat er zo'n duidelijke wisselwerking
bestond tussen keramiekvormen en hun glazuren
en de mensen die ze maakten.
De potten weerspiegelden elementen van het landschap, de
flora en fauna uit de omgeving van hun makers.
We ontdekten dat ook potten geworteld zijn in de grond,
de streek, het land waar ze zijn ontstaan.
En dat ze tegelijk gewaardeerd kunnen worden in landen
ver van hun oorsprong.
Ik realiseerde me, dat ook bij
het werken in klei er voortdurend keuzes moeten worden
gemaakt.
Niet alle ideeën, en het waren er veel, konden
verwerkelijkt worden. Het leven is daarvoor te kort!
De noodzaak om steeds te moeten kiezen, bepaalde mijn
leven en werk.
Dit inzicht versterkte de intensiteit en doelgerichtheid.
Het bracht ook verantwoordelijkheid, want eenmaal
gestookt kan klei niet meer terug naar zijn amorfe staat.
Eenmaal gebakken kan klei jaren lang blijven bestaan.
Naast het werken met klei heb ik
bijna altijd getekend met pen en inkt en geschilderd met
aquarel of gouacheverf.
Tekenen gaf me een andere vrijheid en hielp mij nieuwe
wegen vinden in klei.
Ik houd van de tegenstelling tussen de tastbare massa, de
stabiliteit, de aardse stenigheid van klei en de
etherische,
vluchtige, bijna illusionistische mogelijkheden van een
pen, wat verf en een vel geschept papier.
Sinds 1958 heb ik jaarlijks
tentoongesteld, vaak met Jan de Rooden, vaak ook alleen.
Elke tentoonstelling was een avontuur, een reis met
nieuwe vergezichten.
Mijn werk is mijn manier van
leven geworden.
Mijn huis en werkplek zijn één.
Ik ontdekte door mijn werk schoonheid en echtheid en vond
goede vrienden en collega's.
En niet in de laatste plaats, de wereld ging voor mij
open.
|