Lente 1936. Door
een straat in Nijmegen loopt aan de hand van oma een
klein jongetje. Zijn moeder is plotseling gestorven.
Voor de etalage van een warenhuis staan zij stil. Achter
het raam zit een grote man in witte overall op een
pottenbakkersschijf.
Hij legt zijn handen om een bonk gele klei en in
vloeiende lijn groeit daaruit een slanke vaas. Dagen
achtereen vraagt het kleine
joch aan zijn oma om weer naar dat raam te gaan met hem.
Het kleine joch heet Jan de Rooden.Zomer
1955. Voorbij zijn de
oorlogsjaren en de jaren op de lagere school in de
beboste Duitse grensstreek.
Voorbij zijn de seminarietijd in de polder, de
proefperiode in het klooster en een lang verblijf in
Frankrijk.
In het hartje van Amsterdam sta ik bij avondlicht in de
Kerkstraat voor een laag venster. Mijn ogen volgen
gespannen
de bewegingen van iemand in een witte overall, die bij
het licht van een peertje op een draaischijf aan het werk
is
met soepele, gele klei. Dat materiaal is opnieuw
onweerstaanbaar en ik geef mij ter plekke gewonnen.
De volgende ochtend laat ik mij niet inschrijven als
hospitant kunstgeschiedenis aan de Rijksacademie zoals
afgesproken,
maar ik stap pottenbakkerij "de Stenen
kater" binnen en vraag of ik les kan
krijgen. Dat kan, maar het tarief is te hoog
voor wat ik met mijn studentenbaantje van avondwerker bij
de PTT verdien.
In de stad, waar ik nog maar amper ben aangekomen, moet
ik op zoek naar de geschikte plek.
In de Nieuwe Kerkstraat ontdek ik een pand, waar Meilink
op de zolders een bedrijf heeft voor
Delftsblauw souvenirs.
Naast de tafels met gietvormen staat een ongebruikte
schopschijf. Die mag ik in ruil voor wat hand en
spandiensten uitproberen.
Na zes weken draai ik een kruikje en dan weet ik zeker,
dat klei mij bevalt en omgekeerd.
Nu is het zaak een pottenbakkerij te vinden, waar potten
enkel met de hand gemaakt worden. Weer heb ik geluk.
In "De Groene Kalebas"
- studenten en kunstenaars restaurant - bindt een
vriendenpaar mij op het hart naar Lucie Q.
Bakker
te gaan, "de beste pottenbakster in de stad".
Inmiddels is het winter en met geitenwollen sokken als
handschoenen fiets ik naar
de Binnenkant. De dame, die de
deur voor mij open doet, zegt: "kom terug als het
dooit, ik ben nu uitgevroren".
Vol spanning bel ik na twee maanden opnieuw bij haar aan
en ik bemerk nauwelijks, hoe welkom ik ben.
Lucie Bakker kan met de hand niet voldoende maken om
ervan te leven en heeft een kaliberschijf besteld.
Die machine kan elke dag op haar zolder atelier arriveren
en zij verwacht, dat ik ermee zal gaan werken.
In plaats van op de schopschijf potten te draaien draai
ik weldra moedervormen uit gips, giet ik gipsen
indraaivormen en zet ik
een kleine productielijn op. Dit is niet het werk,
waarvan ik gedroomd heb maar wel een goede leerschool.
Lucie durft mij spoedig het nauw luisterende glazuren toe
te vertrouwen en tenslotte ook het inpakken en het stoken
van de ovens.
Herfst 1957. Anderhalf
jaar hebben Lucie en ik zij aan zij gewerkt. De
pottenbakkerij loopt en ik kan met een gerust hart
vertrekken.
Dat moet ook. Hier ben ik uitgeleerd en buiten wacht
iemand op mij.
Een jaar geleden heb ik Johnny Rolf ontmoet. Aan het
strand hebben wij toen afgesproken om over een jaar te
trouwen en samen
een pottenbakkerij te beginnen. Daar zullen wij onze
dingen gaan maken, mooie potten, maar ook wat klei ons
verder ingeeft.
Het is niet gemakkelijk om Lucie vaarwel te zeggen,
verknocht als ik ben geraakt aan haar en haar
pottenbakkerij.
Lucie van haar kant is bezorgd. "Waarom het
onmogelijke nog eens beproeven? Je weet, hoe hard ik het
geprobeerd heb en
het is niet gelukt. Voor je levensonderhoud moet er vraag
zijn naar jullie eigen keramiek".
Haar bezorgdheid beantwoord ik met het argument, waarmee
Johnny en ik ook de familie gerust proberen te stellen:
"Geef ons vijf jaar. Ik geloof, dat er toekomst is
voor wat wij zullen gaan maken."
Een week later zijn Johnny en ik s'ochtends in de
trouwzaal van het Stadhuis en s'middags liftend op weg
naar Denemarken.
Dat land is beroemd om zijn meubel-design, maar ook om
zijn keramiek. In onze rugzak reist een boek mee over
glazuren.
Het handelt welliswaar alleen over materialen bij
aardewerk temperaturen, maar het is het enige Nederlandse
handboek.
Aangekomen op Bornholm studeren
wij in ons primitieve hutje boven zee en wandelen langs
de rotskust en door de bossen.
Wij bezoeken pottenbakkers in hun ateliers en
keramiekbedrijven.
Na twee maanden komt er een einde aan ons eerste
buitenland avontuur. Vol verwachtingen en met nieuwe
energie beginnen wij
aan de lifttocht terug naar Amsterdam. Wij hebben
besloten, dat we voor ons levensonderhoud en voor de
kosten van ons kleine
atelier ieder weer een baan zullen zoeken. Voor Johnny
betekent dit opnieuw werken op kantoor. De directeur van
aardewerkfabriek
"Fris" in Edam biedt
mij part-time werk op de gipsvorm gieterij. Van die
fabriek kunnen wij een ton witbakkende steengoed klei
in poeder overnemen. Van elders - leveranciers op dat
gebied zijn uiterst schaars - betrekken wij glazuur
grondstoffen en pigmenten.
Met dat in huis gaan wij van start. Ieder vrij moment
wordt nu besteed aan het draaien en opkneden van potten
en aan het mengen
van honderden glazuurproefjes om de glazuren te vinden,
waarmee wij kunnen werken.
Vier, vijf maanden verstrijken er zo, maar dan komt het
moment waarop we vol spanning onze eerste oven met onze
eigen creaties
stoken en uitpakken.
Die dag beseffen wij, dat de wereld van keramiek voor ons
open ligt. Wij zijn op weg.
|