Het
Gestookte Leembouw Project |
| Research 1985 |
Uit India
terug op onze Amsterdamse basis, gunden Johnny en ik ons
weinig tijd om te acclimatiseren. |
||||||||||
|
||||||||||
Schets uit 1987. |
||||||||||
Een reeks geschakeld
gestookte leembouw ruimten worden woning, waterplek,
dierenbeschutting. |
||||||||||
| Naar Frankrijk | ||||||||||
| Omdat ik ambachtelijk ben ingesteld en
beter uit de praktijk leer dan uit een boek, besloten
Johnny en ik in de vroege zomer van dit "tussenjaar"
nogmaals de Franse Lyonnais te bezoeken. Eerder waren wij in die streek verrast gestopt bij boeren hofsteden, waarvan je aan de lemen muren kon zien, hoe zij laag voor laag waren opgebouwd uit klei. Later leerden wij, dat deze bouw methode Pisé heet. Onze eerste doel was Grenoble, waar wij op de afdeling Architectuur van de universiteit leden van de groep CRAterre zouden ontmoeten. CRAterre doet onderzoek naar leembouw methoden en propageert deze via publicaties en cursussen. In ontwikkelings landen geven zij vaak leiding aan leembouw projecten. Omdat de leden van de staf er niet waren waren, beperkte ons bezoek zich tot een korte rondleiding door ruimten, waarin studenten bouwkunde zich konden oefenen in het optrekken van toog en koepel uit baksteen en leemmortel en in wijzen om deze in elkaar te overgaan. Wij vervolgden onze reis richting van de nieuwe stad L' Isle d'Abeau. In de wijk Bourgoin Jallieu van deze stad werd een leem- of beter een kleibouw project uitgevoerd. Via een prijsvraag waren in 1981 jonge architecten uitgenodigd om moderne woningen te ontwerpen met klei als bouw materiaal. De winnende ontwerpen werden onder supervisie van CRAterre gerealiseerd en waren inmiddels in een ver gevorderd stadium. Met architect Jean-Jo Verdet uit Grenoble, die de inheemse bouw in de Alpen als specialiteit heeft, en met Lison Guéry zijn echtgenote en onze collega, hadden wij afgespoken om het project samen te bezoeken. In de straten waar groepen huizen al bewoond werden, verbaasde wij ons alle vier erover dat buiten, noch binnen iets van klei te viel ontwaren. De huizen waren architectonisch zeer gevarieerd en vertoonden een grote verscheidenheid aan materialen. Maar naast het beton en het staal, het glas en het hout toonden de huizen nergens een spoor van klei, het bouwmateriaal waarop de prijsvraag was gebasseerd. Wij begrepen het niet.Dit project was opgezet, om te laten zien, dat klei ook nu een volwaardig bouwmateriaal is, van nature isolerend en daarom minder belastend voor het milieu. Hadden bouwvoorschriften hier idealen doorkruist? Bleef de isolatiewaarde van de kleimuren beneden de vereiste minima, waren zij te kwetsbaar? Waarom moest alles worden afgewerkt met houtbeschot en gipsplaat? Helaas was er niemand op de bouwplaats te bekennen om enige toelichting te geven. Intussen waren er in de straten, waar het bouwen van blokken huizen nog in volle gang was, veel muren in klei te zien. Sommige van de huizen werden opgetrokken uit gestabiliseerde klei in blokken, andere uit pisé, pneumatisch gestampt. Allen telden zij meerdere verdiepingen. Maar ook hier begon het beschieten al. Spoedig zouden ook in deze straten alle leemmuren verdwenen zijn achter gelakt of gebijtst hout over een styrofoam isolatielaag. Misschien zou in de toekomst een bezoek met gids helderheid kunnen verschaffen over het waarom. Voor het moment deden wij er verstandig aan om ons te gaan concentreren op de traditionele en al eeuwen aan de buitenlucht blootgestelde pisé. Dit keer konden wij die met een enigermate geoefend oog bekijken. Onder de wijd overstekende daken straalden de hoge muren van boeren hofsteden onverwoestbaarheid uit. Zelfs aan verwaarlosing leken zij zich weinig te storen. Waar de kalkmortel stuclaag verdwenen was, trad de gebruikte kleimassa aan het licht. De kiezel en vele keien erin deed vermoeden, dat er klei zo uit het veld was gebruikt. De manier waarop de uitwaardse druk in de gelaagde muren werd ondervangen, duidde op vernuft en lange ervaring. Elke laag bestond uit parten met schuine zijkanten. Bij iedere volgende laag helden deze schuine kanten in tegengestelde richting. Zo werd de uitwaardse druk tegelijk verdeeld en opgevangen. De hoekpartijen uit baksteen of zandsteen waren in de lagen vertand en vingen op hun beurt uitwaardse krachten op. Zij wekten de indruk van kolommen en gaven de gebouwen speciale alure. Met extra aandacht bekeken wij dit maal de plinten van dicht opeengezette ovale keien aan de voet van de muren. Zij reikten soms tot ander halve meter hoogte. Vaak waren deze keien in fraaie patronen aangebracht. Efficiënt vingen zij het spatwater op en leidden het weg. |
||||||||||
| Terug in onze Amsterdamse ateliers
concentreerden wij ons allereerst op onze twee jaar
tevoren afgesproken keramiek tentoonstelling in het Singer Museum in Laren. Ook tussen de leembouw activiteiten door hadden wij daar werk voor gemaakt, Johnny zelfs in Pondicherry. Mij bood de expositie in het Singer de gelegenheid om ook aan de hand van een fotoserie met tekst de eerste phase van ons Pondicherry project te laten zien. Hierna was het tijd om in kaart te brengen, hoe wij onze leembouw ervaring nog konden verruimen, voordat in India de tweede phase van het project aanving. Ik zou mijn vaardigheid in het opmetselen van kleistenen met leemmortel aan de praktijk willen toetsen, evenals mijn ideeën over de samenstelling en bereiding van de mortel. De steenverbanden in koepels zou ik nog een keer van nabij willen bekijken en zo mogelijk zou ik een bouwplaats willen vinden, waar een metselaar bezig was met het optrekken van een koepel. Ik zou de verschillende methoden, om over te gaan van muur en hoek naar de ronde vorm, willen vastleggen. En Johnny en ik zouden allebei nog een keer de atmospheer van een oorspronkelijk leemdorp willen ervaren en ons daarbij een helder idee vormen van de eisen van onderhoud. Wij hadden ons gerealiseerd, dat het wonen in zulke toch kwetsbare gebouwen een voortdurende last legt op de schouders van de bewoners. Bij het bedenken van leembouw huizen zouden wij rekening daarmee kunnen houden. Ik vroeg mij ook af, of er buiten de toog en de koepel nog alternatieven te vinden waren voor de vorm van het dak. Bij gestookte leembouw leken wij er haast toe veroordeeld om een van beiden toe te passen, maar dat kon ons procédé zeer gaan beperken. Zowel voor het vinden van antwoorden op onze technische vragen als voor het verschaffen van meer inzicht in de sociale kanten van het wonen in lemen huizen leek een hernieuwd bezoek aan Egypte het meest zinvol. |
||||||||||
| Nogmaals Egypte | ||||||||||
| De Nubische dorpen in Garb Aswan, de
leembouw gebouwen en stadjes in de Kharga en
in de Dhakla Oase en het door Hassan Fathy ontworpen dorp New Gourna stonden op ons programma, toen wij eind october 1985 opnieuw in Egypte landden. Maar eerst leidde ons pad naar de leemstenen villa die econoom / planoloog David Sims samen met de libanees-franse architect Olivier Sednaoui nabij de Nijl tegenover Luxor bouwde. David Sims en Olivier Sednaoui hadden een royaal huis voor ogen, zagen wij bij het naderen van de nederzetting in de vroege ochtend. Wij telden een vijftal koepels en toen wij de hoge toegangspoort door waren, betraden wij een court die overging in een volgende. Dit maakte de binnenruimte intrigerend en gaf de er omheen gelegen vertrekken met hoge toog alle privacy. David verwelkomde ons en leidde ons beneden rond, voordat wij naar de verdieping erboven en het dak gingen, vanwaar het uitzicht schitterend was. Het oog dwaalde van de barre bergketen, waarvoor de Vallei van de Koningen zich uitstrekt, naar de Medinet Habu tempel aan de rand van de woestijn en bleef rusten bij palmen, die woven boven bevloeide groene akkers met groenten en suikerriet. David's huis, begonnen in 1978, was in 1980 voldoende voltooid. Maar het bouwen ging nog steeds voort en op het moment moest er ook gerepareerd. Bij een van de zeldzame, hevige regenbuien kort geleden kon de stuclaag over de togen en de koepels zijn kwaliteit bewijzen. De binding en de hechting bleken niet overal bestand en vooral op de koepels moesten nu gedeelten opnieuw worden aangebracht. Gezamelijk praatten wij lang over de achillus hiel van de leembouw, de afdeklagen die bijna nooit meer dan water afstotend wilden worden. Op allerlei plekken op de wereld werd daarom naar toeslagen gezocht, die een kalk-leem stuclaag waterbestendig konden maken. David zelf meende enige verbetering te hebben bereikt door voor het buitenwerk aan de mortel, die normaal uit grove kalk en klei bestond, enig gips toe te voegen. Maar de tijd moest de duurzaamheid eerst bewijzen. |
||||||||||
|
||||||||||
Het leembouwhuis van David Sims aan de Nijl tegenover Luxor, November 1985 |
||||||||||
| Toen wij hierna David's buurman
architect Naguib Y Amin
opzochten, die wij twee dagen tevoren op het Nederlands
Instituut in Kaïro hadden leren kennen, zagen wij een metselaar bezig met het optrekken van een koepel over boogmuren. De koepel was halverwege en alles wat de man bij het opmetselen als richtsnoer gebruikte, was een soort passer-stok, die in het midden van de ruimte scharnierde op een paal, welke reikte tot de pendentieven, de onderste aanzet van de koepel in de hoeken. Wij namen alles nauwkeurig op en fotografeerden de details zorgvuldig. Daarna gingen wij te voet naar het dorp New Gourna, Hassan Fathy's schepping, waaraan hij na eindeloze strijd eindelijk kon beginnen in 1940. Wij wisten, dat New Gourna de droom van Hassan Fathy om een dorp te bouwen uit materiaal, dat onbemiddelde mensen zich konden permiteren, door de politiek van de overheid en door desinteresse bij de lokale bevolking in duigen was gevallen. Maar dat behalve de moskee alle gemeenschaps gebouwen zo in duigen zouden liggen en de aanblik van de oorspronkelijk fraaie huizen zo verwaarloosd zou zijn, dat schokte ons. Er zijn veel publicaties in allerlei vorm over architect Hassan Fathy en zijn New Gourma experiment en al even talrijk zijn de websites onder beide namen, daarom hoeft er hier niet verder over uitgeweid. De avond bracht meer discussies met David over leembouw als low cost housing. De volgende ochtend staken wij de Nijl weer over om een bus te vinden naar Aswan. |
||||||||||
|
||||||||||
Nubische leembouwwijk in Garb Aswan, november 1985 |
||||||||||
| Garb Aswan opnieuw bezocht | ||||||||||
| Wij voelden ons gelukkig, toen wij in
Aswan aankwamen en aan de overzijde van de Nijl de
Nubische dorpen zagen liggen, onze eigenlijke doel. In die dorpen hadden wij een jaar geleden de leembouw informatie vergaard, die het uitgangspunt werd voor pilot-leembouw huis in Pondicherry. Om die informatie verder uit te diepen waren wij teruggekomen, opnieuw voorzien van een aanbevelingsbrief van de Nederlandse Ambassade in Kaïro. Nog op de avond van onze aankomst troffen wij de heer Hassan Kakhr El Din, Directeur van het Palace of Culture in Aswan. Vereerd met de officiële brief zegde hij ons een tolk toe en zijn Public Relation Officer bood ook zijn medewerking aan. De eerste dag brachten wij ons echter op onszelf door. Wij wilden ons opnieuw oriënteren en de indrukken van nu vergelijken met die van een jaar geleden. Wij zagen meer gewitte huizen, sommige nog heel vers. Er was veel aangebouwd en er verrezen royale, nieuwe hofsteden. Er bleken huizen te zijn bijgebouwd in natuursteen.Dit zelfde zouden wij ook zien in het dorp Abu El Riz ten Noorden van Aswan, dat ik verleden jaar alleen bezocht. Een jonge onderwijzer, die graag Engels met ons wilde praten, gaf ons de naam van een dorp mee in het arabisch, omdat wij geinteresserd bleken in de constructie ervan. Daags erop gingen wij met onze tolk al vroeg naar Shaekh Al Diab om te horen te krijgen, dat daar toch geen koepel kwam en zelfs geen toog. Over de hoge muren waren ijzeren pijpen gelegd met daarop golfplaten en als isolatie daarover- heen stro en palmbladeren met een laag van leem met mest als afdekking. "Een toog is gezonder en koeler maar wel veel kostbaarder", zo luidde het commentaar van de aannemer - metselaar Mohammed. Mohammed was graag bereid om op al onze vragen over de bouw met leemsteen in te gaan. In 1981 was hij, zo vertelde hij ons daarna, met Hassan Fathy in New Mexico om er de Nubische boog te introduceren en om er mensen te trainen, die vervolgens onder leiding van Fathy een moskee zouden bouwen. Op onze terugweg passeerden wij nog enkele bouwplaatsen. Wij stopten bij een ervan in de hoop op een koepel in aanbouw, maar ook hier zou over de lemen vertrekken aan de court een zelfde golfplaten afdekking komen. Als toegangspoort was er nog wel een prachtig hoge toog neergezet, hoewel een bijzonder korte. Nog twee dagen bleven wij in Garb Aswan terugkomen.Wij vergeleken oude en recent neergezette huizen, letten op de zorgvuldigheid van het stucwerk binnen, beproefden de hardheid en breukvastheid van leemstenen, keken toe op bouwplekken, sloegen het gereed maken van de modder specie gade en luisterden naar commentaren van mensen over het bouwen vroeger en nu. Onderwijl speurden wij naarstig of er ergens een koepel in aanbouw was. Op een plek waar wij daarnaar vroegen, boden werkmensen aan om er in drie uren een voor ons op te zetten, maar dat voor een wel erg hoog bedrag. Wij klampten Mohammed aan, of hij het misschien wilde doen, maar nu hoorden we pas een kolossaal bedrag. Ik begreep, dat ik de koepel verder diende te vergeten en wij maakten ons op voor vertrek. |
||||||||||
| Wordt vervolgd |